Nepal revisited – Kloostertruc

Zojuist zag ik met eigen ogen hoe mooi het Tibetaans-boeddhistische klooster in Kagbeni is geworden. Het ziet er vanaf de weg al meteen schitterend uit. Prachtig rood geschilderd, bekroond door een sierlijk gouden dakje. Met een nieuwe Boeddha-hal als ik het goed heb gezien en vernieuwde verblijfsruimten. Een jaar of zeven geleden sprak ik er de hoofd-abt, lama Khenpo en zijn hoofdmonnik Kunga Choephel, die destijds ook de lokale onderwijzer van Kagbeni was. Lama Khenpo was van plan om er ook een kloosteropleiding te vestigen. Wie weet kom ik nog te weten of dat gelukt is.

Kagbeni ligt aan de rand van Upper Mustang, het rauwe berggebied waar je nog steeds niet zonder speciale vergunning in mag. De kloosters in die regio hebben allerlei functies. Niet zelden zijn ze een pleisterplaats voor weesjongetjes. Die hebben dan een relatief goed bestaan.  Waar de weesmeisjes dan blijven? Die moeten het misschien hebben van westerse ngo’s. In het kloostertje van het nabij gelegen Thiri ontmoetten we destijds ook een jonge voortvarende jonge lama die de sociale functie van zijn kleine tempel hoog schatte.

In het klooster van Bodnath in Kathmandu hadden we een heel andere ervaring. Barrevoets binnengetreden en vol aandacht voor de prachtige beelden kwam plotseling een monnik op ons toe geschuifeld. Hij drukte ons en fors staafje wierook in de handen en stak dat aan. Vervolgens leidde hij ons naar een hoekje waar wij de wierook in een soort koperen zandbak mochten plaatsen. Daarop gebaarde hij ons te knielen voor een drietal monniken, die om de beurt soetra’s voor ons begonnen te reciteren. Monotoon en routineus. Eerlijk gezegd hoorde ik er iets verveelds in en begon ik nattigheid te voelen.

In Aziatische landen is het niet ongebruikelijk toeristen in een valletje te lokken en ze vervolgens een pootje uit te draaien. En Nepal is geen uitzondering. Als de kapper bijvoorbeeld je nek gaat masseren en je laat hem zijn gang gaan dan ben je snel drie euro extra armer. In zulke situaties doe ik meestal niet te moeilijk. Maar er kan zich ook wel eens iets rebels van me meester maken en dat was bij de monniken in Bodnath het geval.  Want binnen het opgevoerde toneelstuk had ik, al lag ik dan devoot geknield, uit een ooghoek al het klaarliggende schrift met donaties gezien. Dat gaat zo: In zo’n schrift moet je je naam zetten en je nationaliteit en je noteert er vervolgens achter hoeveel geld je wilt schenken.

Terwijl ik dit in een split second overzag en de derde monnik zijn soetra wilde beginnen, zette ik in een opwelling met luider stem de Harsoetra in het Sino-Japans in. Een van de monniken dreigde mijn recitatie te verstoren, maar de andere twee bleken mij enigszins beteuterd te willen aanhoren, zodat de derde zijn interventie stop zette en ook ging luisteren. Na afloop -ik heb de hele soetra kunnen afmaken- heb ik ze verteld welke soetra het was en dat werkte wel verbroederend.

Toen kwam natuurlijk toch het schrift op de proppen. Wij moesten onze namen in vullen onder Anna Brenner uit Zwitserland en John Hammond uit het Verenigd Koninkrijk. Nou dat hebben we gedaan en we hebben ook een bedrag achter onze namen ingevuld en overhandigd, want het was natuurlijk wel voor een goed doel, moesten we maar denken. Het kan zijn dat onze schenking iets lager uitpakte dan de astronomische bedragen van de andere donateurs, maar de goede boeddhist kijkt natuurlijk naar de intentie… De kloostertruc van Bodnath was geslaagd, maar toch met een iets andere afloop dan de gangbare.

Dick